Afgelopen vrijdag presenteerde de Europese Commissie haar Electrification Action Plan. De ambitie eronder is groot: Europa moet het eerste volledig geëlektrificeerde continent ter wereld worden. Het grootste deel van de winst die Brussel voor ogen heeft, moet worden gerealiseerd in gebouwen, ketelhuizen, meterkasten en industriële processen. Daarmee ligt de uitvoering van dit plan voor een aanzienlijk deel bij fabrikanten, handel en installateurs.
Het plan zelf lees je terug op de energiepagina van de Commissie.
Waar het plan vandaan komt
Politici hebben het nauwelijks meer over de energietransitie, wat de indruk wekt dat er weinig gebeurt. Dat beeld klopt maar half. De eerste helft van de transitie, het vergroenen van de elektriciteitsproductie, verloopt boven verwachting. Uit de European Electricity Review 2026 van denktank Ember blijkt dat hernieuwbare bronnen vorig jaar goed waren voor 48 procent van de Europese stroomproductie en dat wind en zon samen voor het eerst meer opwekten dan alle fossiele bronnen bij elkaar.
De tweede helft verloopt trager. Elektriciteit is nog altijd goed voor zo’n 23 procent van het totale energieverbruik in de EU en dat aandeel beweegt al ruim een decennium nauwelijks, zoals denktank Strategic Perspectives becijferde. Groene stroom opwekken lukt. Het vervangen van gasketels, brandstofmotoren en fossiele procesverwarming door elektrische alternatieven gaat langzamer, en dat werk gebeurt vrijwel volledig op projectniveau, in bestaande gebouwen en bestaande installaties.
De Commissie wil dat aandeel van 23 procent verdubbelen naar 46 procent in 2040. Dat doel is uitdrukkelijk niet juridisch bindend, wat iets zegt over hoe hard Brussel het zelf durft te maken.
Twee knoppen rondom elektrificatie waar Brussel aan draait
De eerste knop is investering. Elektrificatie is kapitaalintensief: stroom is uiteindelijk goedkoop, maar de weg ernaartoe vraagt om zonneparken, windmolens, netverzwaring en opslag. De Commissie zet in op snellere vergunningverlening, directe publieke financiering en een reeks instrumenten om privaat kapitaal los te trekken. Daaronder valt de Industrial Decarbonisation Bank, die richting 100 miljard euro aan financiering moet organiseren voor onder meer elektrificatie van industriële proceswarmte. Daarnaast wil Brussel de kapitaalkosten over een langere periode uitsmeren, zodat ze minder abrupt op de energierekening landen. De redenering daarachter is politiek: prijspieken die direct aan de transitie zijn toe te schrijven vreten aan het draagvlak.
De tweede knop is de prijsverhouding tussen stroom en gas. Elektriciteit is in de EU gemiddeld ongeveer drie keer zo duur als gas, met flinke verschillen per lidstaat. Zolang die verhouding blijft bestaan, blijft de terugverdientijd van elektrische techniek voor veel eindklanten een obstakel. De Commissie wil stroom minstens zo goedkoop maken als gas, onder meer door te voorkomen dat elektriciteit zwaarder wordt belast dan aardgas. Voor de installatiebranche is dat waarschijnlijk de meest ingrijpende maatregel uit het hele pakket. Warmtepompen, elektrische boilers en elektrische procesverwarming verkopen zichzelf op het moment dat de energiebelasting hun businesscase niet langer ondermijnt.
De Commissie koppelt er drie beloften aan: fors lagere CO2-uitstoot, een verlaging van de fossiele importrekening met circa 260 miljard euro per jaar in 2040 en een betere concurrentiepositie voor de Europese industrie. Dat laatste argument weegt inmiddels zwaarder dan het klimaatargument, zoals ook Euronews concludeerde op basis van conceptversies.
De rekensom achter electrificatie in de EU
Reken het even door. In de vijftien jaar tot 2025 steeg het Europese elektrificatiepercentage met vier punten, van 19 naar 23 procent. Om in 2040 op 46 procent te zitten, moet er in dezelfde tijdspanne 23 punten bij. Het tempo zou dus meer dan moeten vervijfvoudigen, en dat terwijl het eenvoudigste deel van het werk al gedaan is. Een kolencentrale vervangen door wind en zon is beter uitvoerbaar dan staalproductie of langeafstandstransport elektrificeren.
Er zit bovendien een rekenkundige adder onder het gras die vaak over het hoofd wordt gezien. Elektrische techniek is zoveel efficiënter dan verbranding dat een aandeel van 46 procent in het energieverbruik een veel groter aandeel in het aantal installaties vergt. Bij auto’s verbruikt een elektrisch exemplaar gemiddeld zo’n 18 procent van de energie van een benzineauto, waardoor je richting 80 procent elektrische auto’s nodig hebt om aan 46 procent van het energieverbruik te komen. Voor warmtepompen geldt dezelfde dynamiek. Een warmtepomp die drie tot vier keer efficiënter is dan een HR-ketel telt in de statistiek nauwelijks mee, ook al is de ketel eruit.
Vertaald naar de Nederlandse praktijk: het Brusselse doel komt pas in zicht als een zeer groot deel van de bestaande woningvoorraad daadwerkelijk van het gas af is, en niet alleen de nieuwbouw en de koplopers.
Wat dit betekent voor fabrikanten, handel en installateurs
De Commissie stuurt op vraag, en die vraag stokt in Nederland op drie punten die Brussel maar beperkt kan oplossen.
- Netcongestie blokkeert projecten waar het geld en de techniek allang klaarliggen.
- De installatiecapaciteit is krap en de instroom van vakmensen houdt geen gelijke tred met de opgave.
- En de businesscase voor de eindklant hangt aan beleidsknoppen die per kabinet kunnen verschuiven, wat opdrachtgevers voorzichtig maakt in hun investeringsbeslissingen.
Voor leveranciers zit de commerciële ruimte daarom minder in het product zelf en meer in het wegnemen van die drempels. Bewezen terugverdientijden, opgeleide monteurs, netbewuste oplossingen zoals opslag en slimme sturing en praktische hulp bij subsidieaanvragen zijn op dit moment schaarser dan de techniek zelf. Dat is waar de markt vandaag daadwerkelijk op vastloopt.
Of de 46 procent in 2040 wordt gehaald, valt op dit moment lastig te zeggen. Wel is duidelijk dat elektrificatie de komende vijftien jaar een dominant thema blijft in bouw en installatie, met of zonder Brussels doel. Die zekerheid biedt meer houvast voor je commerciële planning dan het percentage zelf.
